Denkbeeld

Een onbetreden nacht.

Ervaringen van een ziekenverzorgende

Ziekenverzorgende Ria Knijnenburg werkte bij een samenwerkingsproject van een verpleeg- en ziekenhuis dat was opgezet om tijdelijk patiënten te verplegen die zijn uitbehandeld maar nog niet terug naar huis kunnen of wachten op een plaats in een verpleeg- of verzorgingshuis. Op de verpleegafdeling verbleven zowel somatische als psychogeriatrische patiënten: Eenderde van hen bleek bij opname terminaal. In dit artikel beschrijft ze haar ervaringen tijdens een nachtdienst.

Ria Knijnenburg

Na een vrije week begin ik met de nachtdienst. Mijn collega van de avonddienst komt uit een patiëntenkamer en vertelt dat meneer Van den Acker stervende is. Zijn zoon en diens vrouw zijn zojuist gearriveerd. ‘Ik krijg geen hoogte van hen,’ zegt mijn collega, ‘de zoon is hier nooit geweest en de schoondochter alleen tijdens de opname. Ze wilden niet naar hem toe, waarom weet ik niet.’ Ik stel me voor aan de familieleden van meneer Van de Acker. Mijn eerste indruk is onbehagen bij de zoon en onzekerheid bij de schoondochter. ‘Na de verzorging van vader kom ik terug en informeer jullie verder,’ beloof ik. ‘Zolang zal zijn sterven toch niet duren?’ vraagt de zoon met gefronste wenkbrauwen. Zijn vrouw zegt nerveus: ‘We wachten hier tot u terugkomt.’

Meneer Van den Acker is nog magerder geworden sinds de laatste keer dat ik hem zag. Drie weken geleden is hij in zeer slechter toestand opgenomen. Zijn gezicht is asgrauw gezicht en hij haalt reutelend adem, een zure droge lucht komt uit zijn open mond. Zijn lichaam voelt klam en zijn nagels zijn doorschijnend blauw en net zo koel als zijn neus. Voorzichtig verschonen en verfrissen mijn collega en ik hem en leggen hem op zijn rechterzijde, met goede ondersteuning van kussens in rug en benen.
De voorgaande nachten sliep hij zo het rustigst. Zijn droge mond maak ik schoon met een gaasje gedrenkt in verdunde penseelvloeistof. Door het frisse vocht beweegt zijn tong wat, de slikreflex is uiterst minimaal.

Kleine stapjes
De teleurstelling is in de ogen van de zoon te lezen als ik vertel dat het stervensproces de gehele nacht kan duren.
‘Willen jullie misschien mee naar hem gaan?’ vraag ik voorzichtig. ‘Ik ga niet, dat heb ik al besloten’, zegt de zoon overtuigd. De schoondochter antwoordt angstig: ‘Samen met u durf ik wel, niet alleen.’
Ik voel dat ik zorgvuldig moet zijn en neem me voor om ze in kleine stappen vertrouwder te maken met de dood van hun vader. Ik ga nergens op in en vraag de schoondochter om samen met mij naar hem te gaan.
Meneer Van de Acker is in diepe slaap, af en toe schokt hij licht. ‘Wat is hij mager. Zal hij mij herkennen?’ vraagt de schoondochter. Voorzichtig leg ik mijn hand op zijn voorhoofd en zeg zacht, als antwoord op haar vraag: ‘Meneer Van de Acker, uw schoondochter is hier, samen met uw zoon, ze blijven de hele nacht op de afdeling, bij u in de buurt.’ Een kort snurkend geluid lijkt een antwoord.
Ik zet een stoel bij het bed en vraag uitnodigend: ‘Als u wilt kunt u hier wel zitten.”Nee, ik ga weer’ zegt ze geëmotioneerd en draait zich met tranende ogen om, ‘het is te verschrikkelijk. Heeft hij geen pijn?’
‘Ik heb het niet gemerkt,’ zeg ik geruststellend. ‘Hij is rustig en ter voorkoming van pijn krijgt hij een pijnstillende injectie. Ik denk dat hij langzaam in zal slapen. Ik vergelijk het wel eens met een kaarsje wat langzaam dooft, maar nog heel lang met een klein vlammetje kan blijven branden.’

Hier bent u veilig
Mijnheer Van de Acker blijft stabiel en als ik dit tussen mijn werkzaamheden vertel, vraagt de schoondochter of ze de volgende keer weer met me mee mag. Nu gaat ze aan bed zitten en streelt zijn hand,.’Vader, ik ben het, Maria.’ ‘Zal ik even gaan? Dan kun je alleen met hem zijn,’ fluister ik in haar oor. ‘En als er iets gebeurt, zuster?’ ‘Dat verwacht ik niet, maar ik blijf in de buurt,’ en leg een hand op haar schouder.’Ik kom over vijf minuutjes terug.’ Als ik weer zachtjes binnenkom kijkt Maria angstig om. ‘Hoe gaat het?’ fluister ik. ‘Ik word benauwd van zijn zware ademhaling, ik ga weer,’ zegt ze met bevende stem.

Mevr Kortwijk komt de gang op lopen. Zij is al sinds vijf maanden hier en wacht op opname op een psychogeriatrische afdeling. ‘Moeder, waar ben je, ik ben zo bang.’ Haar lange grijze haren hangen los en haar wijde nachtjapon is doorweekt van urine. Ik pak troostend haar hand vast. ‘Ik heb zo’n pijn, alles doet zeer; kijk maar op mijn rug, vol blauwe plekken. Dat heeft hij gedaan en moeder is er niet,’ snikt mevr Kortwijk.
‘Waar is uw moeder dan?’
‘In de winkel aan het werken en dadelijk komt hij weer.’
‘Hier bent u veilig, hier komt hij niet’, zeg ik vol overtuiging terwijl ik haar naar de slaapkamer leid, haar tranen droog en een glas water geef. Langzaam wordt ze rustiger, dan verschoon ik haar en het bed voordat ze erin terugkruipt.Verder is het stil op de afdeling. Met de patiënten die nog wakker zijn maak ik een praatje, verschoon, luister, troost, schud kussens, stop ze lekker in of geef warme melk. Mijn ervaring heeft geleerd dat dit patiënten, en mezelf, een veilig gevoel geeft en de nachten rustiger maakt.

Ik drink een kop koffie met Maria en Peter en vertel hoe ik meneer Van de Acker heb ervaren in de korte tijd dat ik hem heb meegemaakt. ‘We konden samen best veel lachen,’ antwoordt Maria geëmotioneerd, ‘maar het was geen gemakkelijke man.’
‘Nee, als ik niet deed wat hij verwachtte, dan liet hij me dat wel voelen vroeger,’ zegt Peter bitter. ‘Om nu hier te zijn voel ik eerder als een plicht dan dat ik het graag doe.’
‘Wat jammer,’ zeg ik oprecht. ‘In het ziekenhuis kreeg vader een infuus als hij slecht at en dronk, hoeft dat nu niet? Droogt hij niet uit?’ vraagt Maria bezorgd.
;’Daar heeft het lichaam geen behoefte meer aan. Je kunt het vergelijken met een verwelkte bloem die langzaam afsterft en indroogt, dan helpt water ook niet meer. Vochttoediening van buitenaf zal bij uw vader het stervensproces eerder belemmeren.’

Hevig conflict
Op de achtergrond hoor ik mevrouw Kortwijk weer huilen en roepen. Ik loop de gang op en daar herhaalt zich het ritueel van troosten en roepen. “Wil jij mijn moeder zolang zijn,’ vraagt ze me snikkend, ‘ik vind jouw zo lief.’ “Ik ben vannacht uw moeder,’ verzeker ik haar, blijf maar bij mij.’ Ik pak haar hand en breng haar naar de huiskamer. ‘Maar dan gaan we wel een liedje zingen.’ Meteen zet ze met hoge stem ‘Achter in het stille klooster’ in. Als ze Peter ziet, gaat ze verlegen achter me staan. ‘Mogen wij erbij komen zitten’? vraag ik en even later zitten we wat onwennig met z’n vieren aan de tafel.
Ik bied mevr Kortwijk de koektrommel aan. ‘Mag dat? Thuis kreeg ik zoiets nooit en we hadden nog wel een snoepwinkeltje,’ zegt ze kinderlijk gelukkig. Ze sabbelt tandeloos aan de koek; de lange grijze haren voor haar gezicht verbergen als een sluier haar verlegenheid.
‘Heeft u een winkel gehad?’ vraagt Peter belangstellend en terstond verschijnen er weer tranen en vertelt mevrouw Kortwijk hortend over haar gewelddadige stiefvader. Daarbij wil ze telkens haar geteisterde rug laten zien. Ik vis een tissue uit mijn uniform en droog haar tranen; automatisch begint ze te neuriën en licht te schommelen. Ze kalmeert zienderogen en als ze slaperig wordt, breng ik haar terug naar bed.

‘Wat verschrikkelijk, haar verhaal, dan heb ik het vroeger nog goed gehad’ zegt Peter ontdaan. Als hij naar beneden gaat om wat uit de automaat te halen, werpt hij door de open deur een snelle blik in zijn vaders kamer waar zijn vrouw al een tijdje zit. Als hij terugkomt, zegt hij ontstemd: ‘Ik zal blij zijn als het achter de rug is.’
‘Heeft u al eerder afscheid van uw vader genomen? vraag ik omzichtig. ‘Dat kan ik niet,’ zegt Peter en hij vertelt over zijn jeugd waarin zijn vader een dominante rol speelde. Een hevig conflict met hem na zijn moeders dood veroorzaakte een definitieve breuk. ‘Ik heb nog wel wat contact met hem gehouden,’ zegt Maria die weer terug is in de huiskamer. ‘Ik kon het best wel met hem vinden.’
Weer hoor ik mevrouw Kortwijk. Nadat ik haar gesust heb haalt Peter een reep chocolade uit zijn zak en geeft haar een stuk: ‘Kijk eens wat ik voor u heb.’ ‘Zoveel?’ zegt mevr Kortwijk glunderend, ‘dat heb ik toch niet verdiend.”En of u dat verdiend heeft,’ zegt Peter hartelijk, ‘snoep maar lekker op”. Dat laat ze zich geen tweede keer zeggen en ze sabbelt zo heerlijk dat de chocolade langs haar kin druipt. Nu is alle verdriet echt vergeten.

Liever woordjes
Inmiddels is het vier uur en voordat ik aan mijn ronde begin, loop ik naar de separeerkamer. Mijnheer Van de Acker gaat langzaam achteruit, zijn ademhaling is oppervlakkiger. Het kussen voelt vochtig aan en als ik een schone sloop pak, helpt Maria me spontaan mee om zijn hoofd te ondersteunen. ‘Hoe zou u het vinden, als de omstandigheden het toelaten, om straks samen met mij uw schoonvader te verzorgen?’ vraag ik. Maria is verbaasd: ‘Mag dat dan?’ ‘Natuurlijk mag dat en als het rustig blijft op de afdeling wil ik het graag doen. Uw schoonvader moet straks gedraaid worden en vanwege de transpiratie ook wat opgefrist. Tot morgen vroeg wachten duurt te lang. Ook al kan hij zelf niets meer aangeven, toch denk ik dat hij het fijn zal vinden. Het is geen verplichting,’ voeg ik eraan toe, ‘ik kan ook hulp vragen van een andere afdeling.’

Maria zit op het puntje van haar stoel als ik haar kom halen. ‘Wat fijn dat mijn vrouw mag helpen,’ zegt Peter, ‘ik durf het niet om naar hem te gaan’. ‘Afscheid nemen wil niet zeggen dat er veel woorden voor nodig zijn of dat het lang moet duren’, zeg ik zacht, ‘een druk op de hand of een enkel woord kan ook genoeg zijn. Vader zal het beslist bemerken.’
‘Ik weet het niet,’ mompelt Peter.

Maria fluistert haar schoonvader allemaal lieve woordjes in. Ze legt een zeegroene pyjama klaar, zijn lievelingskleur. Uiterst voorzichtig trekken we het vochtige pyjamajasje. Terwijl Maria wast gaat haar gezicht steeds meer stralen. Samen verschonen we het bed en als ik de boel opruim, scheert Maria zijn baard. Lange tijd blijft ze stil aan het bed zitten.
Als het ritme van zijn ademhaling onregelmatig wordt, kijkt ze me vragend aan. ‘Ik denk dat hij de laatste fase nadert’, zeg ik, ‘alsof hij hierop heeft gewacht.’
‘Ik zag zo tegen deze nacht op,’ zucht Maria. ‘Ik dacht altijd dat doodgaan vreselijk was en nu is het zo vredig, ik zal er met liefde aan terug kunnen denken. Deze nacht zou ik voor geen goud willen ruilen.’

Dat is het tijd om mijn dienst over te dragen. Terwijl ik afscheid neem van Maria, komt Peter aanlopen. Hij pakt mijn hand innig vast en zegt opgelucht: ‘Ik kom net van Pa en heb zijn hand vastgehouden. Het deed mij zo goed, alsof er een last van me afviel. Ik denk dat ik dadelijk weer ga. Wat heb ik deze nacht veel geleerd.

Denkbeeld Tijdschrift voor psychogeriatrie Oktober, 2000

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *